Het is mooi zo

Hij vond het eigenlijk wel welletjes. Het was laat en tijd om naar bed te gaan. Hij wilde niet. De vering van zijn stoel had z’n beste tijd gehad, zodat hij diep in de zetel wegzakte. Met zijn ogen gesloten, dommelde hij de hele avond al weg. Waarom zou hij nog opstaan om te gaan liggen? Hij zat goed zo. Ogen dicht en het hele lijf ontspannen. Nu inslapen en nooit meer wakker worden wat hem betreft mocht dat.

Het alleen zijn begon hij zat te worden. Vroeger snakte hij naar dit soort momenten. Of een dagje alleen zijn. Niets fijner dan een dag niet hoeven praten of luisteren. Nu was dat anders. De laatste jaren waren alle dagen zo. En de avonden ook. Die duurden nog het langst. Eindeloos traag leek de secondewijzer van de pendule op het dressoir zijn rondjes te maken. Aan de avonden leek geen einde te komen. Meestal zat hij alleen op zijn kamer. Hij wist ook wel dat het zijn eigen schuld was dat de avonden in eenzaamheid voorbij trokken. Hij was nog liever alleen dan in het gezelschap van de medebewoners. De spanning in de recreatiezaal was af en toe te snijden. Hoewel, af en toe, hij vond het altijd. Dan maar liever alleen in het halfschemer van de staande lamp. De lamp is een relikwie van zijn huwelijk. Hij heeft ‘m altijd lelijk gevonden, maar zij stond erop. Nu vind hij ‘m mooi. Maar dan vooral vanwege de herinneringen. De lamp zelf vond hij nog altijd spuuglelijk. Hij miste haar vreselijk. Het was ook niet volgens de afspraak, dat zij eerst zou gaan. Had ze hem toch nog mooi te pakken gehad.

Hij was altijd de jongste van de club geweest. Van alle clubjes eigenlijk. De buurt waarin zij woonden, de kennissen en ook van de vriendengroep was hij de jongste. Eén voor één heeft hij afscheid van ze genomen. De laatste alweer drie jaar geleden. In gedachten zag hij hun gezichten langskomen. Bij die gedachten liep er steevast een traan uit zijn ooghoeken. De ratio leert dat dit ging gebeuren. Emotie won het bij hem altijd als het om dit soort dingen ging. Toen hij nog jong was kreeg hij al een brok in zijn keel als hij langs de weg een aangereden vos of kat zag liggen. Waarom moest zo’n mooi schepsel op zo’n lelijke manier aan zijn einde komen? Klote auto’s.

Na elke afscheidsdienst werd het napraten met koffie en cake korter. Er was ook steeds minder om over te praten. Ze werden allemaal stiller. Alsof ze het naderende einde niet wakker wilden maken. Toch had hij ze allemaal gevonden en ze van hem afgenomen. De enige contacten die hij nog had waren het personeel van het verzorgingshuis waar hij nu alweer wist hij veel hoelang woonde. En zijn kinderen en kleinkinderen natuurlijk. Maar die hebben allemaal hun eigen leven. Hij wilde geen ballast voor ze zijn en ook geen verplichting.
Om niet helemaal op zichzelf te raken bezocht hij nog wel afscheidsdiensten van medebewoners. Soms uit medeleven voor de achtergeblevene, soms ook om zeker te weten dat de persoon in kwestie er ook echt niet meer was. Maar onlangs was er geen overlevende van de dooie. Hij kende niemand. Na een kop koffie en een broodje kaas, gesponsord uit de verzekeringskas, was hij maar weer opgestapt. Zonder afscheid.

Zijn grootste angst was werkelijkheid geworden. Gelukkig is hij nog goed ter been en helder van geest. Al zijn er dagen dat hij liever had dat ie zich niets meer kon herinneren. Met zijn ogen dicht herleefde hij elke avond delen van zijn leven. De mooie momenten en de lelijke momenten. Je wist echter nooit van te voren wat voor moment er aan kwam voor die avond. Hij heeft geprobeerd om het te analyseren. Of er een verband bestond van wat er die dag gebeurd was en welk soort moment de avond voor hem in petto had. Men zegt dat je de mooie momenten beter onthoudt dan de minder mooie en de ronduit rotmomenten. Dit kon hij op basis van zijn eigen ervaringen niet bevestigen. Nu kon hij altijd al wat zwaar op de hand zijn en wellicht speelde dat een rol bij het herleven van zijn eigen geschiedenis.

Elke avond weer, als hij zo loom onderuitgezakt in zijn versleten stoel zat, stelde hij zich voor hoe het zou zijn om weg te dommelen en niet meer wakker te worden. Hoe de geluiden om hem heen doffer werden en langzaam wegstierven. Hij voelde zich dan gewichtsloos. Hij zweefde terug naar zal zijn vrienden die op hem zaten te wachten. En naar zijn vrouw. Zijn lieve vrouw, die hem plagend toebeet: “Waar bleef je nou?”

Huib

Mannenwerk

De winter werd gedomineerd door wisselvallig weer met veel regen. Maar nu is het aangenaam en wordt het lente. Een blauwe lucht met vriendelijke witte wolken, die voortdrijven op een fris briesje. Na zo’n slappe winter krijg je met goed weer wel zin om klussen in en om het huis aan te pakken. De tuin moest rigoureus aangepakt worden. Na een verbouwing hadden we er niet veel meer aan gedaan en had hij veel weg van een bouwplaats.

Eenmaal de slag te pakken ben ik moeilijk te stoppen. Ik kom langzaam op gang, maar als de locomotief eenmaal op stoom is, dender ik door. Ik heb heggen gesnoeid, grind ontdaan van onzuiverheden, onkruid op de meest vreemde plaatsen uit de grond getrokken, de picknicktafel grondig schoongemaakt, geschuurd en met de hogedrukreiniger de groen uitgeslagen bestrating er weer als nieuw doen laten uitzien. Zelfs een parasol, die bijna twee jaar lang groen had liggen worden, en die we al bijna hadden afgeschreven, heb ik schoon gekregen.

Zo’n hogedrukreiniger is trouwens wel echt een mannending. Eenmaal met zo’n apparaat aan de slag ga je je anders gedragen. Het heeft iets met macht te maken, denk ik. Controle hebben over natuurkrachten of zoiets. Het is iets magisch. Als ik de trekker overhaal van de sproeier en ik voel hoe je met de krachtige waterstraal alle vuil en viezigheid wegspuit, dan maakt zich een vreemd fenomeen van mij meester. Zo’n gevoel van: nu kan ik de hele wereld aan.

Plotseling ga ik me heel mannelijk gedragen. Ik krijg zin in bier en dat drink ik tijdens het werk rechtstreeks uit de fles, terwijl modderspetters in mijn gezicht spatten. Dat geeft niet, sterker nog: dat maakt het alleen maar mannelijker. Zweet, modder en bier. Er ontwaakt iets in mij. Mijn hele lichaamshouding verandert, tussen de werkzaamheden door leun ik nonchalant, bier drinkend, tegen een muurtje. Ik krijg zin om te barbecueën, en niet met spiesjes, maar met serieuze stukken vlees. Vuur maken en je eigen eten bereiden op een primitieve manier. De hogedrukreiniger wakkert mijn mannelijke oerinstincten aan. Het had weinig gescheeld of ik had afgestemd op het programma VI en ik kwam bijna in de verleiding om drie afleveringen van Top Gear achterelkaar te kijken.

Een wijze raad aan alle vrouwen: zorg ervoor dat jullie mannen met Vaderdag een hogedrukreiniger krijgen. Eenmaal aangeschaft, zal hij vanzelf klussen aanpakken en voor je het weet zijn de terrassen brandschoon en glimt het tuinmeubilair je tegemoet. En dat allemaal zonder tegensputteren en zonder gemopper. Het maakt iets los in de man, profiteer ervan!

Zorg er wel voor dat er een bak koud bier binnen handbereik staat en zet de Weber klaar. En ga vooral niet zeuren over de modder, z’n zwarte houtskoolhanden en de doorrookte stank van zijn vuile kleren. Want dat kunnen jullie! KAMMATAJAJIPPIEIPPIEJEE.

Huib 

Past niet

Getergd rukte ze aan het stuur van haar zwarte monster-SUV. Wild om zich heenkijkend, manoeuvreerde ze het voertuig stukje bij beetje in de parkeerplek van de overvolle parkeergarage. Lange hoogblonde haren omlijstten haar gezicht waarvan de blik schuil ging achter een gigantische blingblingzonnebril, waardoor ze veel weg had van een reuze-insect. Het harige bontje rond de hals maakte het plaatje compleet.
Nog niet helemaal in het midden van de parkeerplaats vond ze het wel goed zo. Het portier gooide ze met een goed ingestudeerde nonchalance dicht. En met twee korte bliepjes sloot ze de wagen af. Ze beende mij driftig voorbij met over haar schouder een tas die de indruk wekte dat ze drie weken op vakantie ging.

“Die plaatsen hier zijn veel te klein!”, beet ze mij vinnig toe.
“Misschien past de omvang van uw voertuig niet bij uw rijvaardigheid?”, was mijn verbaasde reactie.

Onbegrepen en met de snelheid van het beest waarvan zij een legging aan had slofte ze naar de uitgang op haar met bont gevoerde pantoffel-laarsjes. Ze was aandoenlijk hulpeloos, zo buiten haar eigen wereldje van witte wijn drinkende vriendinnen.

Huib

Dag boom

Telkens wanneer het stormde stond de grote iep voor ons huis vervaarlijk heen en weer te schudden. Beetje bij beetje de tegels van de stoep omhoogwrikkend. De gemeente had er twee jaar eerder al een deskundige met meetapparaten op afgestuurd en die concludeerde dat er geen accuut gevaar dreigde. Maar een jaar geleden woei de wind ’s morgens zo hard dat de stoeptegels serieus omhoog werden geduwd en de boom wel erg heen en weer bewoog. Voldoende om de gemeente toch nog maar eens op de hoogte te stellen.

Die middag laat stopte er een bestelauto in de straat met daarop een bordje ‘werkverkeer’. Uit de wagen kwamen twee forse mannen in grote oranje werkjassen met reflectiestrepen. Ze gingen voorbereidingen treffen om de oude iep weg te halen. De motorzaag sneed jankend door de bast en vijf minuten later was de boom geveld. Ik had met hem te doen.

Vakkundig werd hij in stukken gezaagd en met een grijper op een vrachtwagen geladen. Het duurde alles bij elkaar nog geen uur. Toen de vrachtauto de straat uit reed en de mannen in de oranje jassen de motorzagen weer opruimden, keken de twijgen met verse knoppen weemoedig over de rand van de laadbak. Ze hadden nauwelijks tijd gehad om afscheid te nemen van hun geliefde plekje bij ons in de straat, waar ze meer dan een kwart eeuw hadden vertoefd. In de lente moeten verliefde vogelpaartjes een ander plekje zoeken voor hun nestje en zullen we vaker het zonnescherm moeten laten zakken.

Huib